Laat de opr niet verzuipen

Drie jaar na de invoering van passend onderwijs blijkt de medezeggenschap nog erg wankel. Vooral het fenomeen opr leidt een moeizaam bestaan.
Gelezen:
‘Er zijn nog twee open plekken in de opr’
‘Er moet worden nagedacht over de opvolging van vertrekkende leden’ ‘Flyer rondmailen om aandacht te vestigen op opr en vacatures’
‘Knelpunten bespreken in verband met vacatures en opvolging leden opr’

Wie wat door jaarverslagen en notulen van opr’s struint, komt het bijna elke keer tegen: de opr zoekt nieuwe leden en kampt met lege plaatsen in de bezetting. Een herkenbaar beeld voor Jan de Vos, die veel ondersteuningsplanraden heeft begeleid in de tijd dat hij bij de Vereniging voor Openbaar Onderwijs (VOO) werkte. “Alle 152 samenwerkingsverbanden is het destijds gelukt om een opr samen te stellen. Ze hebben destijds ook alle 152 ingestemd met het ondersteuningsplan. Maar daarna zijn er grote verschillen ontstaan.”
De Vos hoort nogal eens dat leden van een opr vinden dat het samenwerkingsverband hen niet genoeg inhoudelijk betrekt bij wat er speelt. “Ook de omvang is soms een probleem. Eén opr bestond aanvankelijk uit 56 leden: alle aangesloten schoolbesturen wilden 1 of 2 mensen in de opr. Maar vergaderen met zo’n omvangrijke club mensen, dat werkte natuurlijk niet. Met 16 mensen kun je nog net vergaderen, maar met 34 zeker niet.”
De structuur is ook ingewikkeld, zegt De Vos. “Het geld voor passend onderwijs komt binnen bij het swv. Daar wordt ook het beleid gemaakt. Soms wordt een deel van het geld centraal besteed, om gezamenlijke faciliteiten in de lucht te houden, en vaak wordt een gedeelte van het budget doorgesluisd naar de schoolbesturen.”
Scholen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid voor passend onderwijs zoals dat door hun swv is vastgesteld. De Vos: “Gmr en mr moeten vervolgens opletten wat er precies met het geld voor passend onderwijs gebeurt en in hoever re het naar de kinderen gaat.” Als opr ben je daar dus niet direct bij betrokken, maar, adviseert De Vos, je kunt natuurlijk wel zorgen dat de opr die informatie van de andere medezeggenschapsorganen krijgt. De expert: “Vraag het na: welk personeel werkt er op welke school voor het geld van passend onderwijs? Dat is vaak niet transparant, maar wel belangrijk.”
Hij vangt ook wel geluiden op van opr-leden dat zij zich soms afvragen wáár ze nu eigenlijk echt invloed op hebben. “Veel leden begonnen vol goede moed en idealistisch, deden het ‘voor de kinderen’. Ze komen er nu in de praktijk achter dat de opr een nogal abstract gebeuren is. Het goedkeuren van een ondersteuningsplan is iets anders dan daadwerkelijk zorgen dat er geen kinderen meer thuis zitten.”
De Vos: “Het is voor menig opr-lid wel een beetje een ver-van-m’n-bedshow.” Hij ziet dat de goede wil er zeker is bij de meeste opr’s die hij kent: “maar het is gecompliceerd en ingewikkeld en je moet goed de hoofdlijnen in de gaten houden.”
Hij merkt dat er bij opr-leden veel behoefte is aan scholing en ondersteuning, maar het steunpunt medezeggenschap passend onderwijs is eind 2015 opgeheven. “Er is geen geoormerkt geld voor de ondersteuning van de medezeggenschap bij passend onderwijs. Wel kan de opr een beroep doen op de diensten van het project Versterking Medezeggenschap, maar dat is bij veel opr-leden nog niet bekend.”


Uit de opr-praktijk (1):

‘Veel ouders hebben geen idee’

Rob de Goede is voorzitter van de opr SWV Utrecht PO (100 scholen po, 4 sbo en 6 so). Hij heeft een zoon met een beperking.
“Zeker in het begin was het helemaal niet lastig om mensen te vinden voor de opr. Zowel vanuit het personeel als de ouders wilde iedereen weten: wat gaat er veranderen, wat gebeurt er met het personeel en de kinderen, is dat passend onderwijs niet gewoon een ordinaire bezuinigingsoperatie. Omdat het nieuw was, bestond er veel animo om in de opr te gaan.”

Vallen en opstaan
Deze opr telt vijftien leden en de zaak staat nu aardig op poten, maar dat ging met vallen en opstaan, zegt De Goede. “We hadden aanvankelijk het plan om veel nieuwsbrieven rond te gaan sturen naar alle betrokkenen, maar al snel bleek dat niet te doen. We waren vooral bezig met het administreren en beheren van mailadressen.” Nu is besloten om zoveel mogelijk via de site te communiceren: “Die wordt goed onderhouden en alle informatie is zo raadpleegbaar voor iedereen.”
Het is moeilijk om mensen te vinden voor de opr, merkt De Goede. “Veel ouders hebben geen idee wat het samenwerkingsverband is of doet. Als ouder heb je vooral met de school te maken. Je krijgt natuurlijk pas echt met een samenwerkingsverband te maken als blijkt dat je kind extra ondersteuning nodig heeft. En 96 procent van de kinderen doorloopt gewoon de basisschool of heeft op die basisschool wat extra ondersteuning.”
De Goede prijst de inzet van het samenwerkingsverband. Die is cruciaal voor een goed functionerende opr, zegt hij. “Van het swv horen we waarmee zij worstelen. We bespreken de procedures en knelpunten.”

Ruimte laten
Hij ervaart dat ‘zijn’ swv open staat voor adviezen en argumenten. “Als opr ben je kritisch maar je moet het swv ook de ruimte laten om beleid te ontwikkelen en een organisatiemodel op te zetten.”
In de huidige opr zitten 15 leden. Slechts drie van hen waren ook al bij de oprichting van de partij, dus er zijn nogal wat wisselingen geweest. Hij begrijpt dat wel, zegt De Goede. “Mensen haken af: omdat de kinderen van school af zijn, of het meer tijd kost dan ze dachten. We doen ons best om nieuwe opr-leden te vinden, we proberen betrokkenheid te kweken, bijvoorbeeld door veel uitleg te geven over de implicaties van het ondersteuningsplan en de keuzes die worden gemaakt. Samen met de directeur van het swv organiseren we avonden waar één specifiek onderwerp uit het plan wordt besproken. Dan ga je de diepte in en kom je tot nieuwe ideeën.”

Uit de opr-praktijk (2):

‘Word wijzer door te vragen’

Marinus Kalshoven was een aantal jaren voorzitter van de opr van swv vo Utrecht/Stichtse Vecht (23 vo-scholen plus 4 vso-scholen). Hij is sinds kort met pensioen.
“Bij ons swv liep het heel goed. Ik hoorde op congressen en via via ook wel andere geluiden. Dat er veel competitie is tussen een swv en een opr: zo’n eeuwige strijd, daar kom je niet verder mee, je moet samen willen werken. Je bent een critical friend, maar je gaat samen voor die kinderen. Die moeten op de juiste plek zitten.”
Wat hij belangrijk vond: de papieren waren altijd op orde, de informatie kwam ruim op tijd. Kalshoven: “Een maand voor een vergadering kwamen voorzit ter en secretaris van de opr en iemand van het swv bij elkaar, om de agenda door te nemen en zaken voor te bespreken. Die voorbereiding is belangrijk. Want problemen ontstaan vaak als één van de partijen niet levert.” Daarnaast gaat het om de personen: “het staat of valt bij alle medezeggenschapsorganen natuurlijk met de kwaliteit van de mensen: bij het swv, maar ook in de opr.”

Scholing
Zijn opr besteedde aandacht aan scholing: er werden congressen bezocht en cursussen gevolgd. “We nodigden ook vertegenwoordigers van de aangesloten scholen uit, leerkrachten, of iemand van het zorgteam, zodat we een goed beeld kregen. Er is natuurlijk een wereld van verschil tussen een praktijkschool en een gymnasium bijvoorbeeld, en hoe die met passend onderwijs te maken hebben. Zo leerden we als opr de scholen kennen. Konden we vragen: hoe doen jullie dat nou? Dat maakt je als opr echt veel wijzer, en het geeft over en weer meer begrip.”
Ook in ‘zijn’ opr waren altijd wel een paar vacatures: “Het kost gewoon veel tijd om al die stukken te lezen. Daar verkijken zowel ouders als leerkrachten zich op.” In het begin ging een aantal ouders de opr in omdat ze zich zorgen maakten om wat er met hún kind ging gebeuren, “maar wat je als opr bespreekt bevindt zich natuurlijk op een ander niveau.”
Heeft hij een tip voor andere opr-leden? Kalshoven: “Vriendelijk blijven, maar wel doorvragen. Je wilt weten wat er speelt bij het swv. Je moet nooit bang zijn, gewoon vragen zonder in de aanval te gaan.” Daarnaast: “Zoek contact met andere ondersteuningsplanraden als je ergens mee zit. Je hoeft niet allemaal zelf het wiel uit te vinden.”

Verschenen in infomr 3/2017

Deel dit artikel:

Gerelateerde artikelen

Cookie wetgeving

Online cookiepolicy
De Nederlandse Telecomwet schrijft sinds 5 juni 2012 voor dat de gebruiker van websites op de hoogte moet zijn van het plaatsen en uitlezen van cookies. Een cookie is een bestandje met een tekenreeks dat bij uw bezoek aan een website naar uw computer wordt gestuurd en waarmee uw computer bij een volgend bezoek wordt herkend.

Welke cookies gebruikt de AOb?
1. Google Analytics
De website www.aob.nl plaatst cookies die voortkomen uit het Google Analytics script dat op de website wordt ingeladen. Google Analytics is een hulpprogramma voor webstatistieken waarmee website-eigenaren inzicht kunnen krijgen in de manier waarop bezoekers omgaan met hun website. Door middel van Google Analytics proberen wij uw website bezoek zo gebruiksvriendelijk mogelijk te houden.

Meer informatie over cookies?
Op de volgende websites kunt u meer informatie over cookies vinden:
Consumentenbond: Wat zijn cookies?
Consumentenbond: Waarvoor dienen cookies?
Consumentenbond: Cookies verwijderen
Consumentenbond: Cookies uitschakelen
Deze site maakt gebruik van cookiesMeer informatieAccepteren