Pilot? Wees er op tijd bij

Elke directeur wil graag af en toe het onderwijs vernieuwen. Soms om meer leerlingen te trekken, soms vanwege voortschrijdend inzicht over hoe het beter kan. Hoe wordt de mr daarbij betrokken of hoe wordt de medezeggenschap juist soms omzeild?
Nieuwe ideeën over het onderwijs? Dan betrek je daar als directie natúúrlijk de mr bij, zegt Reinout Jaarsma, adviseur medezeggenschap bij de Algemene Onderwijsbond. “Idealiter moet er een invoeringsplan komen. Wat kost het, wat betekent het voor de formatie. Dat heeft wel tijd nodig voor je er mee kunt beginnen.”
Die tijd nemen directies lang niet altijd, merkt Kees Jansen, jurist bij Verus (organisatie voor christelijk en katholiek onderwijs). Het komt bijvoorbeeld voor dat het mogelijk is om extra geld te krijgen, voor onderwijskundige experimenten. “Dan hoor ik wel dat een directeur zegt: ik vraag het alvast aan, want anders is de aanvraagtermijn verstreken en dan lopen we dat extra geld mis. Jullie advies komt daarna dan wel. We kunnen altijd nog besluiten om dat experiment níet te doen, mocht de mr tegen zijn.”
Pas op, waarschuwt AOb-rayonbestuurder Perry van Liempt: “Een pilot is bijna nooit een pilot in het onderwijs.” Zijn collega AOb-rayonbestuurder Philippe Abbing beaamt: “Dan heet het: we doen een pilot met het havo-team en voor je het weet ben je twee of drie jaar verder en is het gewoon on-going business. Dan is er helemaal geen weg meer terug.”

Geldgestuurd

Zo’n pilot kan een manier zijn om de instemming van de mr te omzeilen en veranderingen snel door te voeren of door te duwen, omdat voor een proef of experiment geen instemming van de medezeggenschap is vereist. Vaak zijn zulke pilots vooral geldgestuurd, ziet Abbing. “Een plannetje staat soms op minder dan een A4’tje omschreven en de mr hoort: maken jullie je geen zorgen, er is extra geld voor. Maar je verandert de school wel door zulke vernieuwingen. En zo’n plan komt vaak niet uit de docenten zelf, terwijl die wel de uitvoering moeten doen en met de gevolgen te maken krijgen.”
Het zijn tegelijkertijd vaak inhoudelijk interessante onderwijsconcepten, zegt Abbing. “Havisten competent: prima natuurlijk. Of Elos: waarbij leerlingen werken aan het ontwikkelen van internationale competenties. Kun je zo subsidie voor aanvragen als school. Goede dingen, op zich. Maar het zijn natuurlijk wel veranderingen en experimenten die je uitgebreid met het team en in de mr moet bespreken. Wat zijn de harde doelen van zulke experimenten, dat moet je als mr willen weten.
En wat doe je als het experiment niet slaagt?” Hij chargeert nu wel, zegt Abbing: “Maar het is toch soms zo dat de directeur op cursus is geweest en dat alles de volgende dag dan anders moet. En bij zo’n experiment staat de mr dan buitenspel.”

Profileren

Het kan natuurlijk belangrijk zijn om je als school anders te profileren, een wens die bij veel managers leeft en die zij wat graag werkelijkheid maken. Dat wordt bovendien steeds makkelijker. Het project ‘regelluwe scholen’, aanvankelijk alleen bestemd voor scholen met het predicaat excellent, is sinds enige tijd toegankelijk voor scholen die ‘goed’ scoorden bij de Inspectie. Meedoen aan het project (dat inmiddels vol zit) levert op zich geen geld of subsidie op, maar de school kan ermee pronken op de eigen website.
Het is begrijpelijk dat het ministerie de verantwoordelijkheid voor vernieuwingen bij de scholen zelf wil leggen. Dat past bij de gewenste autonomie van scholen. Zij kennen de eigen populatie het best, weten  wat er nodig is in een omgeving en zijn op de hoogte van de capaciteiten van het team. Het ministerie hoopt op experimenten die de doelmatigheid of kwaliteit van het onderwijs ten goede komen, wat tot een aanpak leidt die bij bewezen succes later breder ingevoerd kan worden.
Abbing wijst op de gevolgen die eerst in de mr aan de orde moeten komen: “Als  personeel krijg je soms te maken met een andere manier van lesgeven, dat vraagt weer andere competenties van jou als docent. Je wordt misschien meer een coach. Het taakbeleid verandert, de werktijden veranderen, de lestabel verandert soms: dan komen er projectlessen in plaats van een uurtje wiskunde of Engels. Het zijn onderwerpen waar de personeelsgeleding grote belangen bij heeft en waar instemmingsrecht geldt voor de hele mr. Er valt voor de mr-leden veel over te zeggen, maar die kans krijg je nu niet. Zeker niet op tijd.”
Ouders en leerlingen hebben over sommige veranderingen natuurlijk ook wat te zeggen. “De eerste vraag van de mr moet altijd zijn: u wilt die pilot. Waarom en wat gaat er daardoor veranderen?”

De Fontein: leerlingondersteuning in onderwijstijd

De Fontein is een van de scholen die meedoen aan het experiment regelluwe scholen, en dat bevalt uitstekend, zegt mr-voorzitter Nina Smelt. “Het is vooraf met het team en de mr uitgebreid besproken: zien jullie dit zitten? Vanuit de mr hebben we wel kritische vragen gesteld over hoe het precies vorm zou krijgen en hoe lang het experiment ging duren.”
De Fontein doet mee met de pilot ‘leerlingondersteuning in onderwijstijd.’ Smelt: “Veel van onze leerlingen hebben extra zorg nodig. Kleuters hebben soms al een taalachterstand en dan adviseren we als leerkracht bijvoorbeeld logopedie. Maar dat is soms ingewikkeld voor ouders, om met hun kinderen daar naartoe te gaan buiten schooltijd. Vaak is de tijd na school al volgepland of is het ingewikkeld om vervoer te regelen. Nu kan die logopedie onder schooltijd: geen extra belasting voor de kinderen of hun ouders en voor leerkrachten ook handig dat je in de pauzes met de fysiotherapeut en de logopedist aan tafel zit.” Deze ondersteuning binnen school regelen, maakt het ook voor het onderwijs veel flexibeler, zegt Nina Smelt. “Soms heeft een kind om 09.00 uur logopedie maar is er dan net een belangrijke toets gepland. Dan wordt er makkelijk met elkaar overlegd hoe dat geregeld kan worden omdat je samen in één gebouw zit en elkaar tegenkomt in de wandelgangen.”
Het experiment loopt nu drie jaar, en zij ziet vooral een positief effect, zegt Smelt. “Kinderen krijgen nu in groep 1 en 2 al ondersteuning. Logopedie in zo’n vroeg stadium werp echt vruchten af, dat merk je in groep 3. Bijvoorbeeld ook met een kind dat moeite heeft met de pengreep: dan kun je meteen bij de fysiotherapie aankloppen en binnen een week is zo’n kind daar al aan het oefenen, het gaat zó snel, dat is erg fijn voor iedereen.”

Verschenen in infomr 4/2018

Deel dit artikel:

Gerelateerde artikelen

Cookie wetgeving

Online cookiepolicy
De Nederlandse Telecomwet schrijft sinds 5 juni 2012 voor dat de gebruiker van websites op de hoogte moet zijn van het plaatsen en uitlezen van cookies. Een cookie is een bestandje met een tekenreeks dat bij uw bezoek aan een website naar uw computer wordt gestuurd en waarmee uw computer bij een volgend bezoek wordt herkend.

Welke cookies gebruikt de AOb?
1. Google Analytics
De website www.aob.nl plaatst cookies die voortkomen uit het Google Analytics script dat op de website wordt ingeladen. Google Analytics is een hulpprogramma voor webstatistieken waarmee website-eigenaren inzicht kunnen krijgen in de manier waarop bezoekers omgaan met hun website. Door middel van Google Analytics proberen wij uw website bezoek zo gebruiksvriendelijk mogelijk te houden.

Meer informatie over cookies?
Op de volgende websites kunt u meer informatie over cookies vinden:
Consumentenbond: Wat zijn cookies?
Consumentenbond: Waarvoor dienen cookies?
Consumentenbond: Cookies verwijderen
Consumentenbond: Cookies uitschakelen
Deze site maakt gebruik van cookiesMeer informatieAccepteren