Vele marsroutes naar governance

Schoolbesturen mogen van de wet niet langer zowel besluiten nemen over de dagelijkse gang van zaken als toezicht houden op de algehele kwaliteit. Ook voor kleine organisaties stuurt de overheid aan op een scheiding van verantwoordelijkheden met het trefwoord governance. De medezeggenschapsraad zal eerst merken dat de structuurdiscussie aandacht opeist en krijgt vervolgens in het overleg te maken met gewijzigde verhoudingen. Wil de mr bijsturen? Dan moet de raad er snel bij zijn en zorgen voor voldoende kennis in eigen gelederen.
Schaalvergroting in het onderwijs leidt al enkele jaren tot reorganisaties waarbij menige bovenschoolse directeur zich mag tooien met de titel 'voorzitter college van bestuur'. De 'oude' bestuurders van stichting of vereniging dragen hun wettelijke verantwoordelijkheden aan zo'n college over en trekken zich min of meer terug in een raad van toezicht. Zo legt de school de hele verantwoordelijkheid voor het dagelijkse werk in handen van een of meer professionals. Het toezicht op hun handelen gebeurt van afstand door mensen met een brede maatschappelijke ervaring, ook buiten het onderwijs. Zij moeten de brug vormen tussen de professionals en de groepen die belang hechten aan goed onderwijs: ouders, leerlingen, personeel, gemeenten en plaatselijke organisaties in welzijn, sport en dergelijke.
De scheiding van bestuur en toezicht krijgt van het rijk een duwtje in de rug door recente wetswijzigingen. Het Engelse woord governance, dat niet meer betekent dan bestuur, heeft in deze Nederlandse kwestie de extra betekenis gekregen van een goede en efficiënte inrichting van de organisatie met heldere afspraken over wederzijdse verantwoording.
Zowel in het primair als het voortgezet onderwijs moet elk bestuur zich afvragen of de structuur voldoet aan deze omschrijving en maatregelen nemen om aan de eisen van de wet te voldoen. Een nieuwe structuur is daarbij niet per se noodzakelijk, maar in de praktijk leidt de discussie over het toezicht dikwijls wel tot allerlei wijzigingen.

"De raden van toezicht zijn nog steeds in opkomst," constateert AOb-bestuurder voor het primair onderwijs Hélène Jansen. Zij dringt erop aan om de bestuursvorm met een college van bestuur en een raad van toezicht te vermijden in kleine organisaties: "Ik heb niks tegen raden van toezicht, als ze maar niet meer gaan kosten. Vaak zie je dat de keuze voor een bestuursvorm eerst wordt gemaakt en daarna blijkt het gevolg: meer management en een grotere afstand tussen bestuur en de werkvloer. De nieuwe bestuurder regelt een hoger salaris of zelfs een beloning buiten de cao om, wat ten koste gaat van de gelden voor het onderwijs."

Arbeidersdemocratie
Vooral het klassieke openbaar onderwijs voelt de drang om in actie te komen: de scholen waarbij de gemeente het bestuur vormt, direct als gemeenteraad of via een bestuurscommissie. Hoewel ook in zo'n situatie een scheiding tussen bestuur en toezicht in te richten valt, brengen steeds meer gemeenten hun openbaar onderwijs onder in een stichting. Dat is Martien Hietbrink een doorn in het oog. De voorzitter van de algemene vereniging voor medewerkers in het onderwijs (AVMO), de openbare afdeling van de AOb, strijdt al jaren tegen deze ontwikkeling. Ouders, personeel en gemeente verliezen door de omzetting van openbare scholen naar stichtingen met een raad van toezicht hun invloed op het onderwijs, stelt hij. De aandrang van directies en besturen om te kiezen voor de stichtingsvorm verdient een tegenwicht en dat kan ook, aldus de AVMO: "Die stichtingen zijn per definitie niet democratisch gecontroleerd en voldoen niet aan de wettelijke regel dat openbaar onderwijs van overheidswege moet worden aangeboden. Wat is nog het verschil met bijzonder onderwijs als je alles mandateert aan een stichting en als gemeente alleen nog de jaarrekening controleert?"
Alleen al met die vraag zou de mr op openbare scholen een pleidooi voor omzetting naar een stichting kunnen pareren, aldus Hietbrink. Wil de gemeente hoe dan ook van zijn verantwoordelijkheid voor het lokale openbaar onderwijs af, dan zou de school eerder in een vereniging terecht moeten komen dan in een stichting. In de visie van de AVMO vormen niet de ouders het ledenbestand van zo'n openbare schoolvereniging, maar het personeel. Een wetsvoorstel om dit mogelijk te maken is in de maak. Hietbrink: "Je hebt het eigenlijk over arbeidersdemocratie. Het accent moet liggen bij de docenten. We moeten dan wel de verantwoordingsplicht goed regelen. De directeur of rector is als primus inter pares in dienst van de vereniging en zijn werk moet ook worden gecontroleerd." De AVMO presenteert het wetsvoorstel dit najaar.
Intussen mogen medezeggenschapsraden in het openbaar onderwijs van Hietbrink hard op de rem trappen wanneer voorstellen tot structuurwijziging op tafel liggen. "Het omzetten naar stichtingen gebeurt vrijwel overal aan de hand van standaardrapporten over professionalisering en slagvaardigheid. De mr kan er bijna nooit weerwoord aan bieden, omdat er geen duidelijk alternatief lag. Ons voorstel geeft ze handvatten, maar ze moeten het wel zelf doen. Een organisatiemodel als dit staat staat en valt met betrokkenheid van de personeelsleden."
Dat de verenigingsleden en hun bestuur ook werkzaam zijn op de eigen school, is volgens de AVMO wel reden om goede afspraken te maken, maar geen argument om het idee van tafel te vegen. Hietbrink: "Vergeet niet dat personeel in de mr nu ook in een dubbele positie zit. Je hebt invloed op het beleid, maar de beleidsmaker kan jouw carrière op school maken en breken."

Zachte regels
Vereniging, stichting of een andere vorm, voor Stefan Peij is dat niet per se waar het de komende jaren om draait in het onderwijs. De directeur van het cursusinstituut Governance University, tevens lector voor dit onderwerp op hogeschool INHolland, constateert wel dat grote scholen zich gemiddeld het best voegen naar de voorschriften voor scheiding van bestuur en toezicht. Hij doet daar sinds 2008 onderzoek naar in opdracht van de vo-raad. Een nieuwe fase van de studie gaat binnenkort van start.
"Ik verwacht opnieuw een positief verband tussen de grootte van de organisatie en de inrichting van governance. Groot doet het beter en dat is niet echt verrassend. In grote organisaties ligt de inrichting van een bestuur met een raad van toezicht voor de hand."
De kleinere scholen kunnen de discussie niet meer naast zich neerleggen, waarschuwt hij: "Incidenten en de behoefte aan controle leiden samen tot meer wetgeving. Scholen hebben financieel de ruimte gekregen, maar de overheid houdt een formele verantwoordelijkheid. Directe invloed is er niet meer en dus komen er zachte regels als governance codes. Aan de andere kant zie je ook dat voorlopers het moeilijk hebben. Ik hoorde iemand uit het onderwijs eens zeggen: 'Ze moedigen je aan om over de sloot te springen en trekken aan je jasje als je afzet.' De grote vraag voor de sector is hoe je de achterblijvers stimuleert om met governance aan de slag te gaan. Wetgeving is dan nuttig, want de sector maakt zelf weinig haast."
Medezeggenschapsraden moeten beseffen dat een nieuw aangetreden toezichthouder geen extra overlegpartner is, aldus Peij. De mr blijft aan tafel zitten met de schooldirecteur, de gmr spreekt met de voorzitter van het college van bestuur. "In de relatie tussen gmr en toezichthouder past bescheidenheid. Het eerste aanspreekpunt is en blijft de uitvoerende directeur."
De raad van toezicht moet zich wél de waarde van contact met de medezeggenschapsraad realiseren en daar actief iets aan doen. "De mensen moeten elkaar kennen, wat je bijvoorbeeld kunt organiseren door jaarlijks een gezamenlijke strategiedag te houden met directie en mr samen. Bespreek hoe het gaat, investeer in de relatie. Voor de mr is het misschien eerst lastig dat de toezichthouder wel vragen stelt, maar geen mening of oordeel teruggeeft. Dat kan ook niet, want de vertegenwoordiging van de organisatie blijft altijd bij de directie of het college van bestuur. Verder adviseer ik toezichthouders altijd om één keer per jaar aan te schuiven bij het gewone overleg tussen mr en bestuurder. Niet om te praten, maar om te luisteren. Dat lijkt een onwennige situatie, want dan zit daar iemand die niets zegt. Daar zal de mr aan moeten wennen."
Invloed van de mr op de vervulling van vacatures in de raad van toezicht hoort voor zich te spreken, zegt de lector. "Betrek de mr er altijd bij. Trek samen op in het proces en kom tot een advies over kandidaten. Ik zie het liever zo dan de aanwijzing van een kwaliteitszetel die exclusief wordt benoemd via de mr. Dat is geen echte vertegenwoordiging, want iedere toezichthouder moet toch zonder last of ruggespraak aan de slag."
Voor kleine schoolbesturen is een dergelijk bestuursmodel te zwaar, vindt governance-deskundige Peij. Dat geldt vooral in het primair onderwijs, waar besturen vaak slechts enkele scholen onder hun hoede hebben. "Behoud de stichting of vereniging, maar verleg de focus naar een toezichthoudend bestuur. Verzwaar de functie van het bovenschools management iets, maar trek niet een te grote broek aan. Dat moet je niet willen." De grens valt volgens hem met enig gezond verstand door de betrokkenen zelf te bepalen: "Een echte bestuurder in een college kan dat werk ook in een ander type organisatie doen. Het gaat om meer dan een andere titel voor het bovenschools management. Wanneer je enkele schooldirecteuren bij elkaar zet, heb je nog geen college van bestuur."
Het onderwijs heeft nog een flinke marsroute voor zich, verwacht Peij. "We krijgen wel veel vragen over de professionalisering van het bestuur en de raad van toezicht uit clubs die het eigenlijk al voor elkaar hebben of waar iemand zit die een fan is van governance. Dan kan een training een breekijzer zijn om zaken aan de orde stellen. Maar de clubs die het eigenlijk het hardst nodig hebben, komen niet vanzelf."

Breekijzer in beloningsinformatie

Hoe zwaar drukken de kosten van toezicht en bestuur op de schoolbegroting? Die vraag kan elke mr voortaan beantwoorden nu scholen informatie over de individuele beloning van bestuurders en toezichthouders niet meer mogen verstoppen achter bezwerende formules over privacy. AOb-bestuurder Hélène Jansen: "De nieuwe wetgeving verplicht de scholen om de bezoldiging van individuele bestuurders en leden van de raad van toezicht te vermelden. Daar kan de medezeggenschapsraad wat mee. Invoering van een nieuwe organisatiestructuur mag de kosten niet opstuwen, want dat gaat ten koste van het primaire proces."

Gepubliceerd 2012-12-01 12:00:00

Sleutelwoorden

Deel dit artikel:

Gerelateerde artikelen

Cookie wetgeving

Online cookiepolicy
De Nederlandse Telecomwet schrijft sinds 5 juni 2012 voor dat de gebruiker van websites op de hoogte moet zijn van het plaatsen en uitlezen van cookies. Een cookie is een bestandje met een tekenreeks dat bij uw bezoek aan een website naar uw computer wordt gestuurd en waarmee uw computer bij een volgend bezoek wordt herkend.

Welke cookies gebruikt de AOb?
1. Google Analytics
De website www.aob.nl plaatst cookies die voortkomen uit het Google Analytics script dat op de website wordt ingeladen. Google Analytics is een hulpprogramma voor webstatistieken waarmee website-eigenaren inzicht kunnen krijgen in de manier waarop bezoekers omgaan met hun website. Door middel van Google Analytics proberen wij uw website bezoek zo gebruiksvriendelijk mogelijk te houden.

Meer informatie over cookies?
Op de volgende websites kunt u meer informatie over cookies vinden:
Consumentenbond: Wat zijn cookies?
Consumentenbond: Waarvoor dienen cookies?
Consumentenbond: Cookies verwijderen
Consumentenbond: Cookies uitschakelen
Deze site maakt gebruik van cookiesMeer informatieAccepteren